| Kees Buenen |
Toetsen en zang |
“Ik ben altijd verwend met mooie stemmen”
“Toen ik zestien was kocht mijn vader een piano. Als ik uit school kwam ging ik eerst een uur piano spelen. Dan ging mijn broer Dré aan de gang, terwijl ik op mijn kamertje nog even gitaar ging spelen, van studeren kwam niks meer.
Voor een schooljubileum formeerden we een schoolband: Scarlet Foam. Ik speelde op een geleend Farfisa orgeltje. Obladi Oblada van The Beatles was toen de grote hit, en volgens mij speelden we het wel 10 keer per avond. Ik bleef voor de tweede keer zitten en moest dus van school af.
Cabaret en Popmuziek
Ik kwam op de Havo terecht in Schijndel.Voor een hobbytentoonstelling die daar georganiseerd was, kwam er een jongen naar me toe die wilde optreden met zijn eigen liedjes. Dat was Henk Wittenberg, de eerste muzikant die ik tegenkwam die zelf liedjes kon schrijven, met een kop en een staart en een clou. We traden op in een klaslokaal, en daarna gingen we met de hoed rond; mijn hoed, die ik uit verlegenheid tijdens het optreden over mijn ogen trok. Maar er zat wel steeds een gulden of veertig in! Henk vroeg of ik niet meer optredens met hem wilde doen. Ik vond het leuk, en mijn vriendin Han ging altijd mee.
Ik gaf haar voor haar verjaardag een basgitaar. Ze leerde alle liedjes heel snel en voordat we er erg in hadden waren we een trio. Cees van Zijl uit Oss werd onze manager en in zijn studio namen we onze eerste en enige LP op. Onze naam werd ‘Het Slimme Gras ’. Ik leende voor de optredens wel eens de vibrafoon van Manuel Cooymans. Manuel vond het een leuke club en kwam erbij als drummer en performer. Voorzover ik weet, was Het Slimme Gras de eerste groep die cabaret met popmuziek combineerde.
Ik werd aangenomen als leerling journalist bij het Brabants Dagblad en rolde zo de journalistiek in. Een hele leuke tijd waarin ik leerde dat er naast ‘inspiratie’ ook sprake is van een ‘deadline’.
Muziekwinkel
Mijnheer Blom vroeg of ik bij de muziekinstrumenten- platenwinkel Goosen en Swagerman wilde komen werken. Ik zei ja, maar voor twee jaar. We hebben twee jaar vreselijk veel plezier gehad in die winkel. Zo kwam er een moeder met de vraag of we blokfluiten hadden voor jongetjes van zes jaar. Toen ik antwoordde dat die helaas op waren, maar dat we ze wel hadden voor jongetjes van zeven, zei die moeder dat ze dat eerst ging overleggen met de muziekschool. Op zulke momenten moest Mijnheer Blom even naar een ander vertrek om te lachen. Uiteindelijk heb ik via “Goosen” de halve muziekscene van Den Bosch leren kennen. Dat vormde veel later, in 2001, een stevige basis bij de samenstelling van het boek “Wereldberoemd in Den Bosch ”.
Cees van Zijl belde:Hij had een schnabbeltje. “Jullie spelen met Alfred op verjaardagen altijd dat leuke repertoire, kan ik jullie boeken op een feest?” Na dat optreden ging het loos. We werden flink geboekt, vooral op chique feesten. Troeke van Rijswijk was de vriendin van Manuel en werd onze zangeres. Dat werd The Bill Bradley Band met repertoire van Van Morrison, Ry Cooder, JJ Cale, Bob Dylan, Simon and Garfunkel; dat werk. We gingen spelen voor Jan Vis. Dat werd dus het dancing-circuit. Eddy Vismale kwam in de plaats van Manuel als drummer.
Toen ging het hard. We speelden drie tot vier keer in de week. Maar we bleven wel werken aan eigen repertoire. Ik kocht wat opnameapparatuur om thuis ideetjes op te kunnen nemen, en bij Manuel in de studio maakten we demo’s met de hele band. Voor Troeke werd het te druk, een fulltime baan in het onderwijs en een met onze band. Dus ze wilde er mee stoppen. Manuel belde me een keer. Er was een jongen bij hem gekomen met een zangeres, waar hij een demo mee wilde maken. Of ik die wilde inspelen. De zangeres kwam uit Leiderdorp en heette Karin Meis, en ze had een hele goede stem. Ik vroeg haar of ze bij de band wilde komen en wat bleek: ze stond op het punt om te trouwen en ging verhuizen naar ’s-Hertogenbosch. Dat kwam mooi uit. Tijdens de eerste optredens klampte ze zich vast aan mijn vleugel, zo onzeker was ze.
Stille Willie
We hadden een serie demo’s gemaakt bij Manuel, met Nederlandse teksten. Toen we klaar waren, hadden we nog een half uurtje over en ik vroeg of we nog snel even een oud liedje van het Slimme Gras op konden nemen, omdat ik daar geen enkele opname van had. ‘Stille Willie’ heette het. Henk Wittenberg had de tekst geschreven. De jongens moesten erg om dat nummer lachen, speelden het en ik had eindelijk een opname. Jan Vis ging met die demo’s langs platenmaatschappijen, maar die hadden geen interesse. Alleen dat laatste nummer, die Stille Willie, dat wilden ze wel als single uitbrengen. Albert West was de producer, en het werd een hit. Frans Meijer kwam erbij als drummer. Het was wel de volkomen verkeerde hit voor ons, want bij alle nieuwe nummers die we aanboden bij de platenmaatschappij, kregen we steeds te horen: “Heb je niks over een vrachtwagen?” Toen het duidelijk werd dat we ons op een doodlopende weg bevonden wat platen maken betreft, stopten we ermee.
Met Han ben ik getrouwd en we kregen een drieling, waardoor ze stopte met basgitaar spelen. Ze bleef wel heel actief als tekstschrijfster voor veel Nederlandse artiesten, zoals Danny de Munck, Saskia en Serge, Albert West, Conny Vandenbos, Paul de Leeuw en Kinderen voor Kinderen.
Nadieh
Ik ging thuis met Karin werken aan haar eigen repertoire, wat later op haar debuut CD ‘Land of Ta’ terecht zou komen. We mochten die plaat in spare-time opnemen in Wisseloord in Hilversum met Hans Vermeulen als co-producer. Het zou voor Karin een doorbraak worden. Ze won er een Edison en een Zilveren Harp mee. Ze nam de artiestennaam Nadieh aan en maakte nog vijf albums, tot ze veel te vroeg overleed. Ze was geen gemakkelijke tante om mee te werken, maar wel een unieke zangeres die praktisch alles kon. Een wereldzangeres.
Bots
Frans Meijer belde me of ik mee wilde doen aan de opnames van een nieuwe Duitstalige LP van Bots. Dat werd de LP “Schön krank”. Een hele aparte ervaring, omdat ik nul Duits sprak, en Hans Sanders me steeds uit moest leggen waar die nummers over gingen. Het was een leuke club en ze vroegen me om mee te gaan toeren in Duitsland (‘best leuk daar, we zijn er best populair’). Ik vond het prima en we vertrokken voor een korte tour. Het eerste optreden was in Dortmund, en de hele stad stond in het teken van een vredesfestival. Ik weet nog dat ik dacht: “Er zijn hier nog hippies genoeg”. Ik dacht dat we ergens op een kar in de stad zouden spelen, maar toen ik er naar vroeg zei Hans: “Nou we spelen daar, in dat ding” en wees naar de Westfalenhalle. Daar zaten 20.000 mensen die helemaal uit hun dak gingen van die band. ‘Best populair’ hadden ze gezegd.
Bots speelde veel op grote manifestaties zoals demonstraties tegen de kruisraketten en kerncentrales. Het repertoire was er perfect voor. Die Duitse Popscène was sowieso heel anders dan de Nederlandse. We speelden vaak met groepen op hetzelfde festival, die daar heel bekend en beroemd waren, maar waar we hier in Nederland nog nooit van gehoord hadden, zoals de Klaus Lage Band, Ina Deter, Ulla Meinecke, Inga Rumpf, Anne Haigis, Purple Schulz, Zupfgeigenhansel, Udo Lindenberg (die kende ik dan weer wel) en Peter Maffay. Die Peter kent iedereen hier van zijn hit ‘Du’ en ik dacht dat het zo’n Schlagerzanger was. Nou, mooi niet dus: een verschrikkelijk ruige band die hele solide Rock speelde.
Willy Brandt
We traden ook op in steden waar ik nog nooit van gehoord had: Ulm, Tübingen, Saarlouis, Pirmasens, Porta Westfalica en Itzehoe, om maar eens wat te noemen. Vaak waren die optredens onderdeel van een politieke demonstratie, georganiseerd door de SPD of de Grünen. We hebben een paar keer meegemaakt dat we halverwege de set stopten, en dat dan Willy Brandt het podium opkwam om door Hans zijn microfoon het publiek toe te spreken. Als hij klaar was, speelden we weer verder. Na het optreden dronk hij vaak een glaasje bier met ons. Hans kende hem al langer, en wist me te vertellen dat Willy Brandt eigenlijk Herbert Frahm heette, en in de oorlog in het verzet had gezeten, en toen de schuilnaam Willy Brandt had aangenomen.
Een van de belangrijke vertalers van het bots-repertoire in het Duits was Günther Wallraf, een schrijver/journalist die vermomd als Turk was gaan werken als arbeider. Hij had daar een boek over geschreven: ‘Ik Ali’. We speelden wel eens met hem samen. Wij speelden eerst een set, Günther las dan wat voor uit zijn boek, en wij speelden het concert daarna af.
Lenny Kuhr
Als we na een tournee weer thuis waren, ging iedereen weer met zijn eigen bezigheden verder. Ik maakte veel demo’s in onze repetitieruimte, waar Jan Jonkers een studio in was begonnen. We waren een keer orkestbanden voor een theatervoorstelling van Pluche&Plastic aan het maken, toen Rob Janszen, de frontman en zanger van de groep, me vroeg of ik in een jury wilde zitten bij een talentenjacht in Hasselt, België. In die jury zat ook Herman Pieter de Boer, tekstschrijver van erg veel hits voor o.a. Kinderen voor kinderen, Conny Vandenbos en zijn toenmalige partner Lenny Kuhr. Herman bracht ons in contact en we gingen samen werken aan nieuw repertoire voor haar. Lenny had weer contact met Mark Derksen, die een studio had in Heeze. Daar heb ik nogal wat producties gedaan, te beginnen met ‘De blauwe nacht’, wat ik nog steeds een van Lenny’s mooiste albums vind. Hans speelde de gitaarpartijen op die cd en we vonden het allebei geweldig om met zo’n fantastische zangeres te mogen werken. Ook de latere albums met Lenny waren een feest om te doen, met name ‘Fadista’, wat we opnamen in de studio van Manuel Cooymans in Den Bosch. Als de tuindeuren open stonden, zag je de rondvaartbootjes door het riviertje de Dieze varen, en toen Manuel begon met het opzetten van de eerste mix, hebben we zelf ook zo’n boottochtje gemaakt.
Op tournee
Wat erg belangrijk is bij het touren: dat optreden duurt maar anderhalf uur, maar de rest van de dag ben je ook samen met bandleden en crew. Je bent het grootste gedeelte van de tijd onderweg in een busje. Er ontstaan vanzelf allerlei mechanismen om de moed erin te houden.
Zo had Jan Jonkers de gewoonte om als we weer eens aan het indutten waren, de aandacht te vragen: “Jongens even een applaus voor het landschap”. Dan werden we weer wakker als we over een spectaculaire brug reden. Verder ga je een hoop melige dingen doen, zoals wedden. Als we moesten stoppen voor een spoorwegovergang, riep er altijd wel iemand: “Twee Mark dat de trein van rechts komt!”.
Op zes augustus 1983 stonden we voor het grootste publiek wat we ooit gezien hadden: op het Festival Kunstler fur den Frieden. Op het veld voor de Reichstag in West-Berlijn stonden 500.000 mensen!
DDR
Toen we in 1986 voor de tweede keer speelden op het Liedersommer Festival in Oost Berlijn, kwam er op een schichtige manier een meisje naar me toe, die me vroeg of ik een brief van een vriendin van haar mee wilde nemen naar Holland. De brief was voor Herman van Veen. Ik beloofde het haar, maar de volgende dag was ze er weer om te vragen of ik het echt zou doen. Ik vroeg haar waarom ze zich zo druk maakte. Zelf stuurde ik ook altijd brieven en ansichtkaarten naar huis.
Die kwamen altijd aan. “Maar jij komt uit het Westen” zei ze. “Als ik iets naar jullie toestuur dan wordt het onderschept, opengemaakt, gecontroleerd en besnuffeld.” Ik zei ontzet: “Ach, schei toch uit. Daar heb ik nooit iets van gemerkt.” Ze antwoordde: “Ik wed dat jij nauwelijks gemerkt hebt wat voor land dit eigenlijk is. Je hebt alleen gezien wat de FDJ wilde dat je zag”. Ze heette Susanne en was jeugdkampioene op de 100 meter hardlopen. Ze had gehoopt om via wedstrijden naar het Westen te kunnen reizen. Maar omdat ze uit de FDJ was gezet wegens dissident gedrag zat dat er niet meer in. Het dissidente gedrag bestond hieruit: ze had op de middelbare school geweigerd om mee te doen aan het vak ‘Zivielverteidigung’. Dan moesten ze met houten geweren in de bosjes oefenen om fascistische imperialisten uit het Westen neer te schieten. Ze noemden de Berlijnse Muur daar de ‘Antifascismusschutzwall’. We gingen corresponderen. Toen ze in 1987 werd gepakt bij een poging het IJzeren Gordijn over te klimmen veranderde onze houding als band definitief.
Susanne kreeg anderhalf jaar. We gingen nog steeds naar de DDR, maar de optredens waren een dekmantel.We gingen er alleen nog heen om spijkerbroeken en vers fruit mee te nemen, en gingen naar huis met faculteitsboekjes, diploma’s en andere documenten die mensen die eruit gezet waren naar het Westen, zo ontzettend nodig hadden. Het was een soort ondergrondse. Heel vreemd ook om te merken aan schakelklikken op de telefoonlijn dat je afgeluisterd werd door de Stasi. Hans Sanders vatte dit verhaal later goed samen in het lied ‘Moed Susanne’, op de Bots CD ‘Paradijs’.
In de zomer van 2003 maakt de duitse Cineast Thorsten Trimpop een film over Susanne’s belevenissen met de Stasi.
Na de release van de CD ‘Paradijs’ speelde Bots nog incidenteel in Nederland en België. Na een paar jaar waarin we elkaar nauwelijks zagen of spraken zocht ik Hans op in zijn oergezellige kroeg op het Wilheminaplein in Eindhoven, en vroeg hem of het niet weer eens tijd werd om wat met Bots te gaan doen. Hij zat daar toevallig net over na te denken omdat hij gevraagd was om op het Folkwoods festival op te treden, waarvan hij mede-organistor is. Na jaren van alleen in studio’s spelen en cd’s produceren, had ik weer enorm veel zin om live te spelen met Bots. Een van de dingen die ik daar zo leuk aan vind is dat we zo veel verschillende muziekstijlen spelen. Na een country liedje komt er een reggae, dan een folkrock nummer, gevolgd door een funky swingnummer. Hans is een veelzijdige songschrijver, waarbij je je als muzikant niet snel verveelt. We spelen sinds de ‘wedergeboorte’ van de band op Folkwoord in 2001 weer regelmatig en gezien de reacties van het publiek heeft Bots nog steeds bestaansrecht.
We hebben momenteel een hele leuke club, en ik zie er naar uit om een nieuwe prachtige CD te maken.